| Basketseizoenen (verhaal) |
|
Het is lente in het gemeentepark. Een kleine jongen zit op één van de schommels die zijn vastgemaakt aan de sterkste tak van de bottende lindeboom. De zon strooit verlegen haar eerste warmte uit. Ze mengt zich in de ijle lentelucht met de hoge lachjes en gilletjes van spelende kinderen. De jongen kijkt verstrooid toe hoe ze in de zandbak taartjes maken, kirrend de glijbaan afzoeven en rondjes draaien op de blauwrode molen met de blinkende verchroomde handvaten, onzeker lachend, bevangen door de onverwachte snelheid. Naast de schommel op het bedauwde gras ligt een basketbal, oud, afgeschilferd maar stevig opgepompt. Papa's bal, gekregen toen hij zes werd.
De jongen zwiert met zijn voeten, zwaait ze vooruit en de rest van zijn lichaam achterwaarts, tegen de wil van de kettingen in zijn hand in, steeds hoger. De groeven in het zand onder hem hollen zich dieper uit, lijkt het, en hij zweeft weg, alleen, veilig voor het donker, beschermd tegen de andere kinderen, zich lostrekkend uit de beschermende omhelzing van zijn ouders. Weg in een droom waar hij alleen de wedstrijd wint en duizend mensen juichen om zijn reddend shot. Het is zomer in het gemeentepark. Een jongeman levert een verwoed gevecht met wat jongens uit de buurt, in een wedstrijdje op het basketveld, grijs en vlak cement, vlakbij de draad die het park afsluit van de gemillimetreerde gazons en gesculpteerde heggen van de nabijgelegen riante villa's. De jongen draait en keert naar de basket toe, pivoteert, faket en loopt zich vrij, kijkt naar de bal, vraagt een pass, wijkt weer uit naar de driepuntlijn, die ze net voor de wedstrijd met een stuk krijt op de grond hebben getekend. Hij slaat geen acht op het zweet op zijn voorhoofd dat prikkend in zijn ogen loopt en op het zware gevoel in zijn borst waar de lucht zijn longen heeft in de steek gelaten. Hij heeft geen basket meer gespeeld sinds zijn vader hen heeft in de steek gelaten. Een kleine jongen, mager, overlopend talent, ontwijkt gracieus de reikende armen van de andere spelers. Zijn behendigheid verbaast. Twee zijn er nodig om zijn weg naar het bord te barricaderen. Hij vuurt de bal van getaand oranje-bruin leder over zijn schouder, niet naar de speler onder de ring, maar naar de jongeman, stil en geduldig wachtend aan de driepuntlijn. Twee punten voor gelijke stand, een drietje om te winnen ! De jongen vangt de bal, wiegt hem even heen en weer, stapt in voor de drive, bedenkt zich plots. Trekt zich terug achter de kalklijn en springt, duwt het leer richting ring, rollend over zijn vingertippen, tussen het gegrom van afwerende armen en naderende lichamen. Het shot raakt de ring, tikt naar de andere zijde, draait een halve toer tergend over het ijzer, en dwarrelt doelloos langs de zijkant weg. Aan de achterlijn roept iemand “Gedaan !” en het andere team juicht en gooit zich in mekaars armen, blij met de overwinning. Zijn ploeggenoten kijken mekaar aan, zoeken verantwoording voor hun verlies. Hun ontgoochelde ogen zoeken de zwakke schutter, maar de jongeman heeft het terrein al verlaten, zijn zorgeloze ogen gericht naar een eenzame figuur op de schommel. De grote lindeboom werpt zijn koele schaduw over haar gelaat in de zachte gloed van de late namiddagzon. Hij grinnikt schaapachtig als hij in de schommel naast haar gaat zitten, geniet van haar spottende glimlach en de ondeugende knipoog : “Mooi shot lieverd,” plaagt ze hem met haar warme zachte stem. Hand in hand, zittend op de schommels, dompelen ze zich onder in de rust van de vallende avond, zachtjes zwierend, terwijl de zon de lucht omtovert in een vurig schilderij met vegen van roodviolet, magenta en donkerblauw, zoekend naar een plaats voor de nacht achter de verre horizon. Op het verdonkerde cement een kleine afgeschilferde zon, gekregen van papa toen hij zes werd. Het is herfst in het gemeentepark. Een vader zit op de schommel en duwt die heen en weer, heen en weer, zachtjes, terwijl hij kijkt naar zijn zoon in de zandbak. Zes al. Een uur lang reeds is hij bezig een toren te maken, zand verslepend, kloppende handjes, stevig dammen. Nu de gracht nog, helemaal rondom. De man bekijkt het kind stiekem, geïnteresseerd, vertederd, terwijl zijn gegiechel zich oplost in de verkillende lucht. Zijn gezichtje, blozend door de koele lucht, miniatuurtje van dat van zijn moeder, die hen een jaar terug zo plots ontviel. Hij mijmert weg : “Hoe lang geleden dat ik samen met haar op deze schommel zat ?” De herfstwind zingt een eenzaam lied over de warmte van ver verleden dagen en rukt zachtjes plagend aan de met goud beklede herfstbladeren van de grote lindeboom uit zijn jeugd. De bladeren klampen zich krampachtig vast aan hun tak, bang voor wat er gebeurt als ze loslaten. De man klampt zich krampachtig vast aan de herinnering, bang voor de toekomst als hij loslaat. De eens glimmende glijbaan, aangezet nu door het gelach en de traantjes van duizend zomerdagen, weerspiegelt vaag het geflikker van een zwartwit TV dat zich langsheen een kier wriemelt tussen de gordijnen van één van de ramen van het luxueuze huis langs de afsluiting. De vroeg opgekomen maan lijkt nu en dan een blik te werpen op de man wanneer ze zich tevoorschijn tovert vanachter door de wind voortgeduwde wolken. Het kind werpt ook een blik op zijn vader, wuift, gerustgesteld, en werkt dan weer voort aan de berg die hij schiep, in het koninkrijk van zand, waar hij regeert. Onder de toren, als de rots voor zijn kasteel, stevig opgepompt, de basketbal die hij gisteren, op zijn verjaardag, van zijn papa kreeg. Het is winter in het gemeentepark. Een oude man zit bewegingsloos op de schommel, armen om zich heen geslagen, zijn adem maakt wolkjes in de vrieslucht. De winterzon plaatst haar voeten alweer neer op de horizon, voor even maar, alvorens zich moe languit te strekken voor de nacht. Uit de schoorstenen van de villa's stijgen omgekeerde kegels van breekbare rook. De versleten basketbalring hangt scheef aan het rafelige bord, schril afgetekend tegen de bloedende hemel, gemarteld door het gewicht van gemiste dunks en gefaalde ambities. Hij ziet er misbruikt uit, in de steek gelaten. Geen kalksporen op het zwart cement, lang niet meer gebruikt. De glijbaan heeft alle glans verloren en de houten sporten en leuning zijn gebladderd en kromgetrokken. De blauwrode draaimolen is verdwenen en vervangen door 2 picknicktafels en een gedeukte gele vuilniscontainer zonder deksel. De zandbak is er nog steeds, netjes gevuld met fijn wit zand. De oude man heft moeizaam zijn stijve ledematen op van de schommel, bukt zich traag om het verfomfaaide supermarktzakje dat naast hem op de grond staat op te pikken en schuifelt naar de zandbak toe. De nacht zal weldra het gevecht winnen van de laatste bevrozen zonnestralen. In het vallende duister kijkt hij rond. Niemand in het park. Langs de zandbak heen beweegt hij zich naar het het terreintje. Zijn stap wordt zekerder als hij over het cement naar de ring toe loopt. Met zijn benige kromme vingers neemt hij de basketbal uit het zakje. Stevig opgepompt, meer zwart dan bruin, haast geen leder meer omheen de bal. Hier en daar nog een verpieterde flard. Eén bots. Zijn arme armen hebben maar enkele seconden nodig om het ritme weer te herkennen, het zich een laatste keer eigen te maken. Bots bots bots. Een melancholische traan ontsnapt zijn oog en rolt over zijn verweerde rimpelige wang. Bots bots. Twee punten voor gelijk spel, een drietje voor de winst. Hij trekt zich terug, bots bots, de driepuntlijn glimt, perfect egaal, mooi wit geschilderd. Hij neemt de bal, zijn tengere benen wankelen, wiebelen over en weer, de bal schommelt van links naar rechts. Met moeite gaan zijn armen de koude lucht in, zijn zware jas als lood over zijn schouders, de bal lijkt wel vol met zand. Hij richt en duwt met alle kracht die nog over is in zijn versleten lichaam. De kracht van de liefde voor zijn vrouw en voor zijn zoon. De bal tolt door de donkere lucht, zwart glijdt door zwart, maar de man ziet duidelijk hoe de bal zich plooit naar de curve die hij wenst. Duizend mensen juichen, de zoemer gilt, de bal verdwijnt met een doffe plof doorheen de gammele ring in de resten van een verduurd net. Een zachte warme stem weerklinkt in zijn hoofd :“Mooi shot lieverd !” Tranen stromen over zijn gezicht. Enkele straten verder slaat de deur van een auto toe, maar de man hoort het niet. Lichte sneeuwvlokken vallen neer over het gemeentepark. De lente lijkt verder af dan ooit. |